Het Evangelie van verlossing – bevrijding van de macht van de zonde

Michael Hardt

Als mensen naar Christus komen en hun zonden belijden, en Hem erin vertrouwen dat Zijn werk aan het kruis van Golgotha voldoende was voor hen, zijn ze vol blijdschap. Zij beseffen dat ze ‘vrede met God’ (Rom. 5:1) hebben. Velen van hen gaan erop uit en vertellen aan iedereen die zij kennen wat ze hebben gevonden en hoe gelukkig ze zijn.

En dan, plotseling, gaat er iets fout. Ze hebben een slechte gedachte of zeggen of doen iets slechts, of nog erger. Wat nu? Ze beginnen zich af te vragen: ‘Hoe heb ik dit kunnen doen? Ik had al mijn zonden beleden en Christus als mijn Redder aangenomen. En nu heb ik weer gezondigd’. En dan komen de twijfels: ‘Was mijn bekering wel echt? Heb ik genoeg berouw gehad? Waarom heb ik weer gezondigd?’ De volgende vragen en antwoorden zullen u helpen om een oplossing te vinden voor dit dilemma.

6.1 Wat is het verschil tussen zonde en zonden?
Het is hetzelfde als het verschil tussen een boom en zijn vruchten. Zonden zijn zondige daden, zoals de vruchten die voortgebracht worden door een boom. Zonde is de boom zelf, de bron van de zondige daden. Daarom is de toestand van de mens erger dan het lijkt. Het is niet genoeg om het probleem van zonden op te lossen door ze weg te nemen of ervoor te boeten. De bron waar ze vandaan komen moet ook aangepakt worden; de zonde zelf dus.

6.2 Wat is Gods oplossing voor zonden en voor zonde?
Zonden worden vergeven. Als u gelooft in Christus, bent u gerechtvaardigd van uw zonden. Zonde op zichzelf kan echter nooit vergeven of kwijtgescholden worden. Het kan alleen verworpen worden. En dat is wat God deed aan het kruis (Rom. 8:3). Daden kunnen vergeven worden, maar een slechte natuur moet verworpen worden.

6.3 Valt een gelovige nog steeds onder de macht van de zonde?
Nee. Een gelovige kan helaas nog zondigen, als hij niet waakzaam is (1 Joh. 2:1), maar hij of zij hoeft niet meer te zondigen, en moet dat ook niet doen. Zonde is geen verplichting voor hem of haar (wat bij ongelovigen wél het geval is), en het is ook niet onvermijdelijk. De volgende vragen laten zien hoe een gelovige bevrijd wordt van de macht van de zonde.

6.4 Wat wordt er bedoeld met de twee families in Romeinen 5?
Elk mens is door geboorte een zoon of een dochter van Adam, maar degenen die Christus aanvaarden en in Hem geloven worden leden van Zijn familie. Het is onze dood met Christus die onze band met Adam beëindigt, waardoor we leden van deze nieuwe familie worden, waarvan Christus het Hoofd is.

6.5 Wat is het gevolg van het deel uitmaken van de familie van Adam?
Elk kind van Adam erft zonde van hem, en als gevolg van de zonde is er de dood. Dit is nooit veranderd, wat bewijst dat de zonde elk kind van Adam bereikt heeft. Deze zonde brengt de slechte vruchten voort: zonden. Zonde en de daaruit voortkomende zonden hebben de dood als gevolg (Rom. 5:12).

6.6 En wat kenmerkt degenen die deel uitmaken de familie van Christus?
De genade van God is overvloedig, en voor velen zelfs zeer overvloedig geweest. Het blije en gezegende gevolg daarvan was dat er rechtvaardiging is gekomen (vers 15-19). Met andere woorden, elk lid van de familie van Christus is gerechtvaardigd.

6.7 Dus als ik door genade deel uitmaak van de familie van Christus, kan ik dan nog doorgaan met zondigen?
Nee. Genade is nooit een excuus om te zondigen (zie ook de volgende vraag).

6.8 Waarom is er geen excuus voor een gelovige om door te gaan met zondigen (Rom. 6:1)?
Omdat wij ten opzichte van de zonde gestorven zijn.14 Onze doop ‘in Christus’ is hier een beeld van, omdat die laat zien dat wij één gemaakt zijn met Degene Die aan het kruis is gestorven vanwege de zonde. Als Hij gestorven is, zijn wij ook gestorven wat betreft onze ‘oude mens’, die we waren als kind van Adam.

6.9 Hoe kan het dan dat ik soms nog zondig? Ben ik niet met Christus gestorven?
In Romeinen 6:6 leren wij over ‘de oude mens’ (zie vraag 6.10), die met Christus gekruisigd is. Maar wij moeten ook leren, vaak door pijnlijke ondervinding, dat wij nog steeds het vlees in ons hebben (‘vlees’ verwijst in deze context niet naar een fysiek lichaam maar naar onze zondige natuur). Dat is waarom wij nog steeds in staat zijn om te zondigen. Zie voor meer hierover de vragen over Romeinen 7 (vraag 6.17-6.23).

6.10 Wat wordt er bedoeld met ‘onze oude mens is met Hem gekruisigd’ (Rom. 6:6)?
Mijn ‘oude mens’ is de persoon die ik was voor mijn bekering, als kind van Adam, een lid van de familie van Adam (Rom. 5:12 e.v.). Voor mijn bekering was ik verantwoordelijk voor God en schuldig. Vanwege mijn éénmaking met Christus in Zijn dood verklaart God dat mijn ‘oude mens’ ook dood is. Hij herkent mij niet meer zoals ik was voor mijn bekering, een van nature schuldige persoon. Kun je dat voelen? Nee. Maar toch is het waar, omdat God het zegt. Het zijn niet onze gevoelens, maar Gods gedachten die tellen. Daarom moeten we onze oude mens (die dood is) niet verwarren met het vlees, de zondige natuur, die nog steeds in ons is (Rom. 7:17, 18, 25; 8:4; 1 Kor. 3:2, 3).

6.11 Wat wordt er bedoeld met de uitdrukking ‘het lichaam van de zonde’?
We vinden deze uitdrukking in Romeinen 6:6b: ‘... opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou zijn, opdat wij niet meer de zonde dienen’. Het ‘lichaam van de zonde’ is het hele mechanisme of systeem van zonde in ons, het hele principe van de zonde in de mensheid. Een gelovige kan nog steeds zondigen (hij moet dat natuurlijk niet doen), maar de zonde heerst niet langer over hem.

6.12 Het probleem van onze zonden is opgelost door het sterven van Christus voor ons. Maar hoe wordt het probleem van de zonde en de macht daarvan opgelost?
Dit wordt niet opgelost door de dood van Christus voor ons, maar door onze dood met Christus. Laten we het eens vergelijken met de relatie van een slaaf ten opzichte van zijn meester in de tijd waarin de apostel Paulus schreef. De meester had rechten over de slaaf, maar alleen zo lang de slaaf leefde. Als de slaaf gestorven was, kon de meester niets meer met hem doen. Zo is het ook met ons. Als wij met Christus gestorven zijn, kan de zonde ons niet meer claimen en heeft de zonde geen autoriteit meer over ons. Dat is bevrijding.

6.13 Wat betekent de doop?
De doop betekent éénmaking met Christus in Zijn dood. Zoals Christus stierf en begraven werd, zo worden wij gedoopt (Rom. 6:2, 3). De doop spreekt ook nog van andere dingen, bijvoorbeeld dat de persoon die gedoopt is een discipel wordt (Joh. 4:1, 2 en 1 Kor. 10:2) enz., maar het punt hier in Romeinen 6 is dat wij ééngemaakt zijn met Christus in Zijn dood, d.w.z. dat wij gestorven zijn met Hem. Bedenk wel dat gedoopt zijn op zich niet betekent dat wij recht hebben op een plaats in de hemel, of die kunnen claimen.

6.14 Hoe weet ik dan dat ik met Christus gestorven ben? Kan ik dat voelen?
Nee. U kunt dat niet voelen. Als u Christus in geloof aanvaard hebt, dan is het gewoon een feit, en u weet het omdat het Woord van God u vertelt dat het zo is (Rom. 6:8, 9).

6.15 Als ik met Christus gestorven ben, wat heeft dat dan voor invloed op mijn relatie met de zonde?
De zonde (het principe van het kwaad, of verzet tegen God) kan niet langer aanspraak op u maken. Het is zoals de man die een andere man een grote som geld betaalde om in zijn plaats de oorlog in te gaan. Toen de regering hem een brief schreef met de woorden ‘U moet nu de oorlog in, uw plaatsvervanger is gestorven’, schreef hij terug: ‘Het spijt me, maar ik kan niet gaan, ik ben dood’. Hij besefte dat hij het recht had om zichzelf als dood te beschouwen, omdat zijn plaatsvervanger was gestorven.

6.16 Als ik met Christus gestorven ben, wat betekent dat dan praktisch voor mijn dagelijks leven?
Als de zonde aanspraak op ons wil maken, hebben wij het recht (en zijn wij verplicht) om onszelf als dood te beschouwen (zie de vorige vraag). Door geloof beseffen wij dat wij geen verplichting hebben om toe te geven aan de zonde (Rom. 6:10-14). Het is zoals het huren van een flat van een huisbaas. Als een andere huisbaas de flat koopt, betaalt u huur aan de tweede en niet aan de eerste. Als de eerste huisbaas langskomt en huur opeist, stuurt u hem weg omdat hij niet langer rechten heeft over de flat of over u. Uw verplichtingen gelden de huidige eigenaar en huisbaas. Wij hebben een nieuwe Meester (Rom. 6:15-23).

6.17 Moet een gelovige zich aan de wet (of aan bepaalde regels) houden om er zeker van te zijn dat hij niet zondigt (Rom. 7:1-6)?
Nee. Het houden van de wet, of zelfs het naleven van regels, is niet Gods manier. Het is een werelds principe omdat het steunt op het natuurlijke vermogen van de mens15. Zodra u het probeert zult u moeten toegeven - als u eerlijk bent -, dat u faalt. Paulus legt ons uit dat wij dood zijn voor de wet, net zoals wij dood zijn voor de zonde. Bedenk ook dat God de wet van Mozes maar aan één volk, Israël, gaf om die te houden. Voor een uitleg over de wandel van de gelovige, en de geboden die op hem betrekking hebben, zie vraag 6.28.

6.18 Hoe kan een gelovige dan leven op een manier die aangenaam is voor God?
Niet door zich aan de wet te houden, maar door zich bezig te houden met Christus. Hierdoor gaan wij steeds meer op Hem lijken en zullen wij meer voor Hem gaan leven in onze dagelijkse praktijk. Als wij de Heilige Geest toestaan ons met Christus te laten bezighouden, zal de Heilige Geest ons de kracht geven om te leven op een manier die aangenaam is voor God (zie vraag 6.27 - 6.31).

6.19 Wie is de ‘ik’ in Romeinen 7:7-25? Is het Paulus?
Nee, het kan Paulus niet zijn, omdat hij zegt: ‘Ik nu leefde voorheen zonder wet...’ (vers 9). Dit kan niet over Paulus gaan, want hij was opgeleid tot een strenge Farizeeër (Fil. 3:5).
Is het een ongelovige?
Nee, dat kan niet. De persoon in Romeinen 7 heeft al een nieuwe natuur; hij wil het goede doen (Rom. 7:19) en zegt: ‘Want ik verlustig mij in de wet van God naar de innerlijke mens’ (Rom. 7:22). Dit zijn duidelijk de verlangens van een nieuwe natuur, die God geeft bij de nieuwe geboorte (Joh. 3:3).
Is het een ware gelovige?
Een ware gelovige, ja, maar niet in zijn normale toestand. De bewering ‘ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde’ (vers 14) kan eigenlijk niet een beschrijving zijn van de normale status van een gelovige.
Maar wie is het dan wel?
Het is een persoon die opnieuw geboren is (zie vraag 2.20) maar die vleselijk is en niet geestelijk (1 Kor. 3:1). Iemand die vertrouwt op zijn eigen kracht, en de wet probeert te houden en op eigen kracht het goede probeert te doen en daarom telkens faalt, waardoor hij heel ongelukkig is. Hij weet niet dat het meest ‘geestelijke’ of goedbedoelende vlees nog altijd vlees is.

Dit is niet de normale status van een Christen. Er zijn echter veel Christenen die ergens in hun leven zo’n fase doormaken, totdat ze leren vertrouwen te hebben; niet alleen op Christus maar ook op Zijn werk. Ze leren dat het werk van Christus voldoende voor hen is en zullen beseffen dat zij verlost zijn door de dood van Christus. Een gelovige kan meer dan eens in zijn of haar leven in zo’n gemoedstoestand raken.

6.20 Wat is het probleem van deze persoon?
Telkens weer krijgt deze persoon te maken met een groot dilemma. Het is de strijd tussen zijn nieuwe en zijn oude natuur. Er zijn goede dingen die hij wil doen, maar uiteindelijk doet hij die niet. En er zijn slechte dingen die hij niet wil doen, maar hij valt telkens weer terug en doet ze toch (Rom. 7:19).

6.21 Wat ontdekt deze persoon (Rom. 7:17-24?
In ieder geval drie dingen. Ten eerste dat hij nog steeds het vlees in zich heeft, d.w.z. zijn oude, zondige natuur (vers 17). Vervolgens ontdekt hij dat in hem persoonlijk niets goeds is: ‘Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont’ (vers 18). Tenslotte ontdekt hij dat hij zichzelf niet kan verlossen maar dat hij iemand anders nodig heeft om dat te doen: ‘ Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?’ (vers 24).

6.22 De ‘ik’ in Romeinen 7 heeft nu begrepen dat hij zichzelf niet uit de modder kan trekken. Waar komt de hulp vandaan?
Tegen het eind van hoofdstuk 7 is deze persoon gestopt met hulp bij zichzelf te zoeken en begint hij te zoeken naar hulp van buitenaf. Het is niet meer ‘hoe kan ik mijzelf redden’ maar ‘wie zal mij verlossen?’ (Rom. 7:24).

6.23 Welke conclusie wordt er getrokken in hoofdstuk 7?
Een tweevoudige. Ten eerste heeft de persoon door ervaring geleerd dat hij uit zichzelf niets goeds kan doen; er woont niets goeds in het vlees (Rom. &:18). Dan beseft hij dat er twee naturen zijn: de oude, onherstelbaar slechte, en de nieuwe. Ze zijn elkaars tegengestelden. Daarna dankt hij God (Rom. 7:25) omdat hij beseft dat alles wat gedaan moet worden al gedaan is door de Heer Jezus Christus (begin van vers 25 en van 8:1). De volledige conclusie wordt getrokken in hoofdstuk 8:1-11 (zie vraag 6.24-6.31).

6.24 Kan een gelovige dan ooit nog veroordeeld worden door God (Rom. 8:1)?
Nee, omdat de gelovige nu ‘in Christus’ is. En onthoud: Christus is verheerlijkt aan Gods rechterhand, dus als iemand de gelovige zou willen veroordelen, zou hij Christus moeten veroordelen en dat is onmogelijk!

6.25 Wat wordt er bedoeld met ‘de wet van de Geest van het leven’ en ‘de wet van de zonde en van de dood’ (Rom. 8:2)?
Het woord ‘wet’ kan ook principe betekenen. Een steen valt op de grond. Dat is een natuurwet. De wet van de Geest is ook een principe, namelijk dat de Geest ons leidt en ons met Christus bezig laat zijn. Op dezelfde manier is de wet van de zonde ook een principe, namelijk verzet tegen God, wat leidt tot de dood. Zodra de gelovige op Christus vertrouwt, gelooft dat Zijn werk voldoende is en dat er geen veroordeling is voor degenen die in Christus Jezus zijn (dus zodra hij het ‘Evangelie van zijn behoudenis gelooft, Ef. 1:13) kan de Geest van God vrij in hem werken.

6.26 Wat is de oplossing van God voor de zonde (Rom. 8:3)?
God vergeeft zonden, de daden dus, maar de zonde kan alleen maar veroordeeld worden. Er is geen andere manier die bij Gods heilige natuur en wezen past dan het veroordelen van de zonde. De wet zou niets tegen de zonde kunnen beginnen omdat die ‘zwak in het vlees’ was; de mens was niet in staat zich eraan te houden.

6.27 Betekent dit dat gelovigen doorgaan met het doen van dingen die verboden zijn door de wet? Waarom niet? (Rom. 8:4)
Nee. De rechtvaardige claims van de wet zijn in de gelovige vervuld. Maar de reden hiervoor is niet dat hij probeert de wet te houden maar dat hij wandelt door de Geest, wat inhoudt dat hij wandelt volgens de gedachten en de wil van God en onder leiding van Gods Geest, en daarmee het kwaad verafschuwt.

6.28 Hoe werkt het ‘wandelen naar de Geest’ in praktische zin?
De Geest maakt Christus bekend aan de gelovige (Joh. 14:26; 16:13,14). Dit zal de gelovige met vreugde vervullen en hij zal het verlangen krijgen om te worden zoals Christus. Als wij Christus navolgen is het neveneffect dat de rechten van de wet automatisch vervuld worden.

Laten we eens naar een voorbeeld kijken. In de wet staat ‘u zult niet stelen’. Een gelovige is niet onder de wet, maar de Geest maakt hem of haar Christus bekend. Hij was rijk maar werd arm. Hij heeft gezegd dat geven meer gezegend wordt dan ontvangen. Als de gelovige leert Christus lief te hebben, wil hij goed doen aan anderen. Hoe zou hij, vanuit dat oogpunt beschouwd dan nog kunnen stelen (Ef. 4:28)?

Het is overduidelijk dat dit soort gedrag past bij iemand die de Heer liefheeft, en dat het niet iets optioneels is, maar een verplichting; een verplichting om te handelen op een manier die past, ervan uitgaande dat wij Hem liefhebben. Dat is waarom de apostel Johannes uitlegt dat het liefhebben van God en Zijn kinderen inhoudt dat wij ons aan Zijn geboden houden (1 Joh. 2:3; 3:22-24; 5:2, 3). Als wij van iemand houden, wordt een simpele wens van die persoon al een gebod voor degenen die van hem houden.

6.29 Maar wandelt een gelovig altijd naar de Geest?
Het zou heel normaal zijn als hij dat zou doen, maar helaas weten we door ervaring dat dit niet altijd het geval is. Een gelovige wordt over het algemeen geleid door de Heilige Geest, maar het is mogelijk voor hem om de Geest te bedroeven (Ef. 4:30). Dit gebeurt elke keer wanneer een gelovige zondigt, omdat hij zich niet laat leiden door Christus of niet in Zijn gezichtsveld, in gemeenschap met Hem blijft.

6.30 Hoe kunnen we er zeker van zijn dat we wandelen naar de Geest?
Simpelweg door alles weg te doen uit ons leven wat de Geest bedroeft. Als u slechte gedachten koestert, moet u dit belijden voor de Heer. Als u iets verkeerds zegt, geldt hetzelfde. Wacht niet, belijd het snel en reken er snel mee af. Als we dat doen, heeft de Geest weer de ruimte om ons weer op Christus gericht te doen zijn en ‘ons te leiden’ (Rom. 8:14). Dan zullen wij ‘de daden van het lichaam doden’ (Rom. 8:13) en wandelen naar de Geest.

6.31 Wat doet God om ons te helpen wandelen naar de Geest?
God heeft ons Zijn Geest gegeven, om in ons te wonen (Rom. 8:10), wat Hij nu doet in elke gelovige (zie ook 1 Kor. 6:19); Hij vervult ons met Christus (Joh. 16:14), en laat ons beseffen dat God onze Vader is (Rom. 8:15, 16). Dit is volledige verlossing: rechtvaardiging van zonden, verlost uit de macht van de zonde en God kennen als liefhebbende Vader, door de Heilige Geest!

6.32 Als onze redding zo volledig is, waarom maken veel gelovigen dan nog lichamelijk lijden mee en sterven ze? Valt het lichaam niet onder onze redding?
Gelovigen lijden nog steeds, omdat zij nog steeds deel uitmaken van de schepping. Paulus legt dit uit in het volgende gedeelte (Rom. 8:18-29). Door de mens is de zonde in de wereld gekomen, en als gevolg daarvan ‘zucht de hele schepping’. Maar dit probleem zal ook worden opgelost. Wij wachten op de ‘verlossing van ons lichaam’ (vers 23). Als Christus komt, zullen wij een nieuw lichaam krijgen. Ondertussen hebben wij deze ‘hoop’ en de Geest Die ons helpt in ‘onze zwakheden’ (vers 26). Zie ook vraag 2.11.

6.33 Heeft God ook maar iemand voorbestemd om veroordeeld te worden?
Nee, dat staat nergens in de Bijbel. God wil dat alle mensen gered worden (Tit. 2:11; 1 Tim. 2:4; 2 Petr. 3:9). En God ‘verkondigt aan alle mensen dat zij zich allen overal moeten bekeren’ (Hand. 17:30). In Romeinen 9:18 staat dat God verhardt wie Hij wil, maar alleen als iemand zichzelf verhard heeft, zoals het voorbeeld van Farao laat zien (vers. 14-17). In Romeinen 9:22-23 staat heel nauwgezet beschreven dat God de voorwerpen van Zijn ontferming bereid heeft tot heerlijkheid, maar niet dat Hij de voorwerpen van Zijn toorn gereedgemaakt heeft voor het verderf. Zondaars die geen berouw hebben, doen dat zichzelf aan. Kortom: het geweldige Evangelie van verlossing staat open voor iedereen!

Samenvatting
Er zijn drie grote problemen die de mensheid kwellen:
1.zonden (= zondige daden);
2.de zonde (= het principe van het kwaad, de bron van zondige daden), en
3.lichamelijk lijden.

  • Het eerste probleem is opgelost door de dood van Christus voor ons (Rom. 3:5-11).
  • Het tweede probleem is opgelost door onze dood met Christus (Rom. 5:12-Rom. 6).
  • Het derde probleem wordt opgelost als Christus terugkomt (Rom. 8).

Maar in alle gevallen hebben wij alles aan Christus te danken!